Vijfde wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening Teylingen 2012

Publicatiedatum:
donderdag 13 december 2018
Originele publicatie downloaden:
Download het PDF bestand
Type bekendmaking:
Verordeningen





Vijfde wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening Teylingen 2012

De raad van de gemeente Teylingen,

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 30 oktober 2018,

 

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 151d van de Gemeentewet,

besluit:

 

I. Vast te stellen de:

 

Vijfde wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening Teylingen 2012

Artikel I

 

De Algemene Plaatselijke Verordening Teylingen 2012 wordt als volgt gewijzigd.

 

A

Artikel 2:10 wordt gewijzigd als volgt:

  • 1.

    Het eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

    • a.

      degene die voornemens is de openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie niet voorafgaand aan dit gebruik een melding doet aan het college en tot het gebruik overgaat zonder dat het college dit gebruik heeft goedgekeurd;

  • 2.

    Het tweede lid komt te luiden:

    • 2.

      Het college reageert uiterlijk 8 weken na ontvangst van de melding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

  • 3.

    In het derde lid wordt “in het belang van openbare orde of de woon- en leefomgeving” vervangen door: “in het belang van de openbare orde, het voorkomen van de belemmering van de bruikbaarheid van de weg, het garanderen van een vrije doorgang voor voetgangers of de woon- en leefomgeving.”

B

Artikel 2:11, derde lid, komt te luiden:

 

  • 3.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet:

    • a.

      indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht; en,

    • b.

      voor plaatsing van e-laadpalen indien dit geschiedt overeenkomstig daarvoor vastgestelde beleidsregels.

C

Na artikel 2:33 wordt een nieuwe afdeling toegevoegd, luidende:

AFDELING 8a TOEZICHT OP BEDRIJFSMATIGE ACTIVITEITEN

Artikel 2:34 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

  • 1.

    In dit artikel wordt verstaan onder:

    • a.

      exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    • b.

      beheerder(s): de natuurlijke persoon of personen die door de exploitant is of zijn aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;

    • c.

      bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

  • 2.

    De burgemeester kan gebouwen, gebieden, bedrijfsmatige activiteiten of een combinatie daarvan aanwijzen waarvan in of rondom dat gebouw, dat gebied of ten gevolge van die bedrijfsmatige activiteit naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel aannemelijk is dat deze onder druk kan komen te staan.

  • 3.

    Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen dat valt onder het aanwijzingsbesluit als bedoeld in het tweede lid.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

    • a.

      in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    • b.

      indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    • c.

      de exploitant of beheerder(s) in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    • d.

      indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    • e.

      indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

    • f.

      indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    • g.

      indien de vestiging of de exploitatie van het bedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer.

  • 5.

    Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier

  • 6.

    De burgemeester vraagt de gegevens op die hij voor de zijn beoordeling nodig acht. Daartoe worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden begrepen:

    • a.

      de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en, indien deze niet ook de beheerder is, van de beheerder(s);

    • b.

      het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend en waarop de exploitant en, indien deze niet ook de beheerder is, de beheerder(s) kunnen worden bereikt;

    • c.

      een uittreksel van de inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel voor de bedrijfsmatige activiteiten waarvoor vergunning wordt aangevraagd;

    • d.

      indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant en, indien deze niet ook de beheerder is, de beheerder(s);

    • e.

      een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en, indien deze niet ook de beheerder is, de beheerder(s) gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten;

    • f.

      een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.

  • 7.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien:

    • a.

      zich een situatie voordoet als bedoeld in het vierde lid; of

    • b.

      door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of

    • c.

      de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of

    • d.

      de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat in of vanuit het bedrijf strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of

    • e.

      er in het kader van de bedrijfsmatige activiteiten strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of

    • f.

      de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd of gewijzigd en niet voldaan is aan het bepaalde in het negende lid.

  • 8.

    Indien een bedrijf wordt uitgeoefend in strijd met het verbod, als bedoeld in het derde lid, of indien een situatie als bedoeld in het zevende lid zich voordoet, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen.

  • 9.

    De exploitant is verplicht binnen drie dagen na een verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens de burgemeester daarvan schriftelijk in kennis te stellen. Indien mogelijk verleent de burgemeester een gewijzigde vergunning.

  • 10.

    Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.

  • 11.

    De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.

  • 12.

    Exploitanten die op het moment van inwerkingtreding van een aanwijzingsbesluit, als bedoeld in het tweede lid, onder de werking van dit besluit vallen, dienen binnen drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit te beschikken over de vergunning als bedoeld in het derde lid. Nieuwe exploitanten dienen eerst over een vergunning te beschikken alvorens zij hun bedrijf kunnen exploiteren.

  • 13.

    Op de vergunning als bedoeld in het derde en negende lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

D

Na artikel 2:40 wordt na de titel van afdeling 11 een nieuw artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 2:40a Sluiting gebouw

De burgemeester kan de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als daar:

  • a.

    is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen;

  • b.

    door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen;

  • c.

    discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook;

  • d.

    wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend of

  • e.

    zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.

E

Artikel 2:41 wordt gewijzigd als volgt:

  • 1.

    Onder vernummering van het eerste tot en met derde lid tot tweede tot en met vierde lid wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

    • 1.

      Het is verboden een krachtens artikel 2:40a gesloten gebouw of een bij dat gebouw behorend erf te betreden.

  • 2.

    Na het (nieuwe) vierde lid worden de volgende nieuwe leden toegevoegd:

    • 5.

      De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van het gebouw, de inrichting of de ruimte, of in de directe nabijheid daarvan.

    • 6.

      De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht.

    • 7.

      Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf het gebouw, de inrichting of de ruimte te betreden.

F

In artikel 2:60, eerste lid, onderdeel c, wordt onder vervanging van de punt voor een puntkomma en de toevoeging van “of” een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende:

 

  • d.

    te voeren.

G

Artikel 2:73 wordt gewijzigd als volgt:

  • 1.

    In de titel van artikel 2:73 wordt ”Bezigen” vervangen door: “Gebruiken”.

  • 2.

    In het eerste lid en tweede lid wordt “bezigen” vervangen door: “gebruiken”.

H

De titel van artikel 2:78 wordt vervangen door: Gebiedsontzeggingen

 

I

Na artikel 2:78 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2:79 Hinder in en om de woning

  • 1.

    De gebruiker van een woning of daarbij behorend erf draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid daarvan geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  • 2.

    Voor de toepassing van dit artikel wordt in elk geval onder hinder verstaan:

    • a.

      vervuiling;

    • b.

      geluidsoverlast;

    • c.

      stank;

    • d.

      hinder door (huis)dieren of ongedierte;

    • e.

      intimiderende uitingen of gedragingen;

    • f.

      gevaarzettend gedrag;

    • g.

      gedragingen die de leefbaarheid en veiligheid van omwonenden aantasten.

  • 3.

    Bij overtreding van het eerste lid kan de burgemeester een last onder bestuursdwang opleggen aan de gebruiker of, indien de gebruiker niet als ingezetene met een adres in de gemeente Teylingen in de basisregistratie personen is ingeschreven, aan degene die de woning of daarbij behorend erf tegen betaling in gebruik heeft gegeven.

J

Artikel 6:1 komt te luiden:

Artikel 6:1 Strafbepaling

  • 1.

    Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie: artikel

     

    2:10 (m.u.v. het vierde lid)

    2:12

    2:15

    2:18

    2:23

    2:25 t/m 2:26

    2:29

    2:31

    2:34

    2:39

    2:41 en 2:42

    2:47 t/m 2:49

    2:51 t/m 2:53

    2:58

    2:64

    2:66 t/m 2:68

    2:73 t/m 2:74 b

    2:78

    2:79

    3:3

    3:12

    3:19

    3:22

    4:8

    4:13

    4:15

    5:2

    5:4 t/m 5:13

    5:15

    5:18 en 5:19

    5:23 t/m 5:30

    5:32 en 5:33

  • 2.

    Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie: artikel

    2:1

    2:6

    2:16

    2:22

    2:37, tweede lid.

    2:43 t/m 2:45

    2:50

    2:57

    2:59 en 2:60

    2:65

    4:6

    4:18

    5:3

    5:31

    5:34

    5:36 en 5:37

  • 3.

    In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet economische delicten van toepassing op overtredingen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10 vijfde lid, 2:11 tweede lid en 4:11 eerste lid.

II. Kennis te nemen van de wijzigingen in de toelichting op de Algemene Plaatselijke Verordening Teylingen 2012

 

De toelichting op de Algemene Plaatselijke Verordening Teylingen 2012 wordt als volgt gewijzigd:

 

A

In de toelichting van artikel 2:10 wordt na de eerste alinea een nieuwe alinea toegevoegd, luidende:

 

Om te kunnen toetsen of het anders gebruiken van de openbare plaats (daaronder begrepen de weg) overeenkomstig de nadere regels is die door het college kunnen worden gesteld op grond van het derde lid, wordt van de gebruiker gevraagd voorafgaand aan het anders gebruiken dit te melden.

 

Het derde lid bevat een bevoegdheid van het college dat zij nadere regels kan stellen aan het gebruik van terrassen, uitstallingen en reclameborden op openbare plaatsen (die ingevolge de definitie van openbare plaats in artikel 1:1, onderdeel a, mede omvat de openbare weg) in het kader van de openbare orde of de woon- of leefomgeving. Dat wordt nu uitgebreid dat het ook regels kan (in de praktijk zal moeten) bevatten om te voorkomen dat de bruikbaarheid van de weg wordt belemmerd en een vrije doorgang van voetgangers wordt gegarandeerd. Daarbij kan gedacht worden aan regels over het maximale aantal vierkante meters weg of stoep dat beschikbaar moet blijven. De ratio van het tegengaan van de belemmering van de weg ven vrije doorgang van voetgangers is dat het gebruik van uitstallingen en terrassen en dergelijke geen onveilige verkeerssituaties mag opleveren voor alle weggebruikers. De termen weg en vrije doorgang voor voetgangers kunnen in veel feitelijke situaties niet los van elkaar worden gezien. Het college kan op basis hiervan dus ook regels stellen over de maximale doorgang voor voetgangers in gebieden waar de verkeerssituatie geen duidelijk onderscheid maakt tussen weg en stoep.

 

B

In de toelichting van artikel 2:11 wordt een nieuwe eerste alinea toegevoegd, luidende:

 

De uitzondering op het verbod in het eerste lid van artikel 2:11 is uitgebreid. De uitzondering geldt nu ook indien een private partij een e-laadpaal wil aanleggen. Daarmee wordt het voor een inwoner eenvoudiger om zelf een laadpaal te (laten) plaatsen en bij te dragen aan de verduurzaming van de samenleving. In de toepasselijke beleidsregels wordt bepaald op welke wijze en onder welke voorwaarden van deze verruiming gebruik kan worden gemaakt.

 

C

Aan de toelichting van de artikelen 2:30 t/m 2:37 wordt de volgende nieuwe toelichting toegevoegd, luidende:

Artikel 2:34

Drugshandel, witwassen, (belasting)fraude, illegaal gokken, en uitbuiting zijn voorbeelden van criminele (economische) activiteiten die de samenleving kunnen ondermijnen. De aanpak van deze vorm van (georganiseerde) criminaliteit is een bijzonder lastige taak. De verwevenheid van boven- en onderwereld, alsmede de verhulling van de criminaliteit, bemoeilijken de bestrijding daarvan. Deze vormen van criminaliteit zijn niet altijd zichtbaar, maar tasten de fundering van de wijk aan. Ze bedreigen niet alleen de legale lokale economie maar zorgen ook voor een onveilig, niet leefbaar woon- en ondernemersklimaat. Het risico bestaat dat malafide ondernemers zich vestigen in sectoren waar het toezicht van de overheid beperkter is. Om de aanpak ondermijning te versterken, is in de APV dit artikel opgenomen gericht op het stimuleren van een gezond ondernemingsklimaat. Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om via een aanwijzing een vergunningplicht te introduceren voor gebouwen, gebieden, een bedrijfsmatige activiteit of een combinatie daarvan, om een onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemingsklimaat tegen te gaan.

 

Eerste lid

De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Voor de definitie van het begrip exploitant is aansluiting gezocht bij hoofdstuk 3 van de APV. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de rechtspersoon. Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV – al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon. De dagelijkse leiding in het bedrijf kan in plaats van bij de exploitant zelf, bij een beheerder rusten. Er wordt dus in het kader van de vergunningverlening gewerkt met een beheerderslijst. Voor het begrip bedrijf wordt aangesloten bij het algemeen spraakgebruik. Het betreft hier voor het publiek toegankelijke bedrijven, zoals winkels (al dan niet met een horecacomponent) of dienstverlenende bedrijven.

 

Tweede en derde lid

De systematiek van dit artikel gaat uit van een pand-, gebieds- of branchegerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk in de gemeente geleverd worden. De burgemeester kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen.

De burgemeester wijst een pand, gebied of een bedrijfsmatige activiteit uitsluitend aan als in dat gebied dan wel door de wijze van exploitatie van het pand of door de bedrijfsmatige activiteiten naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed. Dit criterium drukt uit dat het voor een aanwijzing niet noodzakelijk is dat zich concrete incidenten hebben voorgedaan. Een aanwijzing kan ook preventief worden gegeven voor een branche of gebied waar extra aandacht nodig is bijvoorbeeld om de leefbaarheid en openbare orde en veiligheid ten goede te keren

De noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing, wordt zorgvuldig gemotiveerd. De uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit gelden. Bij een gebiedsgewijze aanpak wordt de noodzaak van de aanwijzing mede bezien in samenhang met de andere maatregelen in een gebied. De vergunning wordt verleend voor de duur van het aanwijzingsbesluit.

De vergunningplicht kan op pandniveau worden ingezet door het pand aan te wijzen nadat zich bijvoorbeeld concrete incidenten (strafbare feiten) hebben voor gedaan of wanneer als gevolg van de wijze van exploitatie in dat pand de leefbaarheid of openbare orde onder druk staat (repressieve aanwijzing). Daar waar strafbare feiten in een pand worden geconstateerd en de pandeigenaar niet intrinsiek gemotiveerd is om mee te werken aan de bestrijding hiervan biedt een pandsgewijze vergunningplicht soelaas. De vergunningplicht is dan direct op een nieuwe exploitant van toepassing. Een bestaande exploitant dient binnen drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit over een vergunning te beschikken. Daarmee kan maatwerk worden geboden, en worden andere ondernemers, voor zover dat niet nodig is, niet in de aanwijzing betrokken. Een aanwijzing die specifiek op een bepaald pand is gericht, kan dan juist proportioneel en gerechtvaardigd zijn.

Indien sprake is van (ernstige) structurele problematiek in een bepaalde branche of gebied kan op grond van dit artikel een aanwijzingsbesluit worden genomen voor dat gebied of die branche. Deze aanwijzing kan op een bepaalde wijk of straat betrekking hebben, maar kan ook de gehele gemeente beslaan. Het kan ook gaan om een hele branche in de gemeente, zoals detailhandel. Uiteraard dient ook bij deze aanwijzing zorgvuldig gemotiveerd te worden waarom de bedrijfsmatige activiteiten met het oog op de openbare orde en veiligheid gereguleerd moeten worden.

Tot slot kunnen op voorhand straten of gebieden aangewezen worden (preventieve aanwijzing). Bij een dergelijke aanwijzing gelden voor gevestigde en nieuwe ondernemers in die gebieden of straten een vergunningplicht. Dit kan gerechtvaardigd zijn nu de aanwijzing alleen plaatsvindt bij straten of gebieden waar de leefbaarheidsproblemen het grootst zijn en de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Het belang van de verbetering van de situatie in de gehele straat of het gebied kan zo’n aanwijzing rechtvaardigen. Het kan ook van belang zijn om te voorkomen dat het probleem zich onmiddellijk naar een naastgelegen pand verplaatst. Een dergelijke aanwijzing zal doorgaans deel uitmaken van een bredere aanpak.

 

Vierde en zevende lid

De algemene intrekkings- en weigeringsgronden staan vermeld in Hoofdstuk 1 van de APV. In onderhavige leden staan de specifieke weigerings- en intrekkingsgronden vermeld. Toezicht op en handhaving van de vergunningplicht is mogelijk door intrekking van een reeds verstrekte vergunning of door sluiting van het bedrijf. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

 

Indien de exploitant zijn verplichtingen uit het artikel of de vergunningvoorschriften niet nakomt, kan er reden zijn de vergunning in te trekken. Sub d van het vierde lid is opgenomen om constructies van schijnbeheer tegen te kunnen gaan indien de praktijk niet in overeenstemming is met de situatie zoals in de vergunning vermeld.

 

Vijfde en zesde lid

In deze leden is bepaald op welke wijze een vergunning moet worden aangevraagd en welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd. De vereiste gegevens worden nodig geacht teneinde een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. De burgemeester kan alle gegevens opvragen die hij nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag. Uiteraard moeten die gegevens wel in verband staan met de weigeringsgronden van de aangevraagde vergunning. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen.

 

Negende lid

Om oog te kunnen houden op relevante veranderingen moet de vergunningverlener daarvan weet hebben. De vergunninghouder is verplicht wijzigingen te melden. Voor de meldingstermijn is aangesloten bij artikel 2:36 van de APV (kennisgeving exploitatie). Als er met inachtneming van de geldende regels geen bezwaar bestaat tegen een voortgezet bedrijf, wordt een gewijzigde vergunning verleend. Als blijkt dat wijzigingen niet zijn gemeld, kan dat leiden tot intrekking van de vergunning.

Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen. Ook wanneer slechts een van de exploitanten stopt. Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas plaatsvinden indien de burgemeester in kennis is gesteld van de gevraagde wijziging en de burgemeester een gewijzigde vergunning heeft verleend.

 

Twaalfde lid

Het verbod om zonder vergunning bedrijfsmatige activiteiten te verrichten en de vergunningplicht op grond van het aanwijzingsbesluit, geldt voor nieuwe exploitanten onmiddellijk na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Onder nieuwe exploitanten worden ook verstaan: exploitanten die een andere bedrijfsmatige activiteit dan voorheen willen uitoefenen, en/of op een andere locatie dan voorheen. Exploitanten kunnen dus niet de inwerkingtreding van het verbod rekken door op een locatie waar zij al actief zijn, over te stappen op een andere bedrijfsmatige activiteit die ook onder de aanwijzing valt. Zij kunnen de inwerkingtreding van het verbod ook niet rekken door naar een locatie verderop in de aangewezen straat uit te wijken. Zij worden dan aangemerkt als nieuwe exploitanten en dienen over een vergunning te beschikken.

Voor zittende exploitanten geldt dat zij drie maanden de tijd krijgen om een vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Lukt dat niet tijdig, dan handelen zij in strijd met het verbod. Wordt de aanvraag om een vergunning binnen de periode van drie maanden geweigerd of wordt een eventueel reeds verleende vergunning ingetrokken, dan handelen zij vanaf dat moment in strijd met het verbod. De burgemeester kan dan met onmiddellijke ingang tot handhaving van het verbod overgaan. Voor zover de Dienstenrichtlijn van toepassing is op het vergunningstelsel en de voorwaarden, geldt dat met name gelet op de openbare orde en veiligheid er een dwingende reden van algemeen belang is en de gestelde eisen ook evenredig (geschikt en noodzakelijk) zijn, zodat het stelsel en de voorwaarden gerechtvaardigd zijn.

 

D

De toelichting van artikel 2:40 en 2:41 wordt gewijzigd als volgt:

  • 1.

    In de titel wordt “2:40 en 2:41” vervangen door: “2:40, 2:40a en 2:41”.

  • 2.

    Na de eerste zin in de toelichting worden de nieuwe volgende toelichtingen opgenomen:

Artikel 2:40a

Deze (ingrijpende) bevoegdheid van de burgemeester strekt tot het herstellen van de openbare orde, de veiligheid of zedelijkheid door het weren en terugdringen van strafbare feiten in en vanuit voor publiek openstaande gebouwen, alsmede het beëindigen van aanhoudende en ontoelaatbare overlast die niet met andere middelen afdoende kan worden bestreden. Sluiting op deze grond is niet mogelijk voor zover dat reeds mogelijk is op een andere grond genoemd in de APV of artikel 13b van de Opiumwet. Horecagelegenheden kunnen worden gesloten op grond van de APV. Als sprake is van drugs(handel) kunnen gebouwen worden gesloten op grond van artikel 13b Opiumwet.

In situaties van een ordeverstoring, die concreet voorzienbaar is en een actuele dreiging vormt voor de ordelijke gang van zaken, biedt de Gemeentewet (artikel 174) in eerste instantie uitkomst. Sluiting op grond van de Gemeentewet kan echter slechts voor een beperkte periode en bij (een dreiging van) ernstige verstoring van de openbare orde. Als langere sluiting is gewenst of wanneer sluiting op grond van de Gemeentewet niet mogelijk is, biedt artikel 2:40a van de APV hiertoe de bevoegdheid.

 

De sluitingsbevoegdheid kan bijvoorbeeld worden ingezet om de volgende criminele activiteiten die als een gevaar voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid, wanneer zij in of vanuit een voor publiek toegankelijk gebouw plaatsvinden, kunnen worden aangemerkt: heling; witwassen; zedendelicten; geweldsincidenten; aantreffen van wapen(s) in de zin van de Wet wapens en munitie; handel in wapen(s) in de zin van de Wet wapens en munitie; arbeidsuitbuiting; (de aanwezigheid van slachtoffers van) mensenhandel; illegale gokactiviteiten; het faciliteren van criminele activiteiten. Bijvoorbeeld wanneer ondernemers van (dienstverlenende) bedrijven zoals, autoverhuurbedrijven, uitzendbureaus of winkels overlast (blijven) veroorzaken of ter plaatse strafbare feiten plegen, deze faciliteren, gedogen of op enigerwijze toestaan.

 

Voor de toepassing van artikel 2:40a is het niet relevant of de exploitant van de inrichting betrokken is bij de tot sluiting redengevende feiten, of dat hem daarvan anderszins een verwijt kan worden gemaakt. De sluiting beoogt geen straf op te leggen, maar is gericht op het herstel van de openbare orde die in gevaar wordt gebracht door feiten en omstandigheden die in de inrichting plaatsvinden. De schuldvraag is daarbij in principe niet van belang.

De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als de voortzetting van de sluiting niet langer nodig is en beoordeelt of dat het geval is. Van belang hierbij is onder meer de bereidheid en de bekwaamheid van de exploitant om aantoonbaar en daadwerkelijk maatregelen te nemen om herhaling van het gebeurde te voorkomen, bij voorbeeld door herinrichting van het bedrijf, verscherping van het toelatingsbeleid of het aannemen van (ander) personeel.

Artikel 2:41

Het eerste lid, tweede en derde lid, regelen het verbod om een woning, dan wel een pand of lokaal te betreden dat gesloten is op grond van de verschillende sluitingsbevoegdheden van de burgemeester. Het vierde lid regelt de uitzondering dat personen wier aanwezigheid noodzakelijk is er wel mogen komen. Het vijfde tot en met zevende lid zijn in dit artikel opgenomen omdat deze plichten dan wel verboden betrekking hebben op alle sluitingsbevoegdheden die aan de burgemeester in het kader van de handhaving van de openbare orde zijn toegekend.

 

E

Na de laatste zin in de toelichting van artikel 2:49 t/m 2:64 wordt een nieuwe alinea ingevoegd, luidende:

In het centrumgebied van Sassenheim wordt extreme overlast ondervonden van verwilderde postduiven. De Teylinger Ondernemers Vereniging, heeft samen met de gemeente een stappenplan bedacht om de duivenoverlast tegen te gaan.

Het opnemen van een voederverbod in artikel 2:60, eerste lid, van de APV vormt het sluitstuk voor een succesvolle aanpak waarin bij overtreding mensen kunnen worden aangesproken en zo nodig bekeurd.

 

F

Na de toelichting van artikel 2:78 wordt een nieuwe toelichting ingevoegd, luidende:

Artikel 2:79

Op 1 juli 2017 is de Wet aanpak woonoverlast in werking getreden (artikel 151d van de Gemeentewet). Deze wet maakt het mogelijk dat de gemeenteraad de burgemeester de bevoegdheid toekent om bij ernstige en herhaaldelijke woonoverlast gedragsaanwijzingen op te leggen aan gebruikers van een woning of erf.

Tot aan de invoering van artikel 151d Gemeentewet bestond de mogelijkheid in het kader van de aanpak van woonoverlast om een bestuurlijke waarschuwing te geven of de woning van de overlastgever tijdelijk te sluiten. Een bestuurlijke waarschuwing blijkt in de praktijk een (te) licht instrument en heeft vaak niet het gewenste effect. Een tijdelijke woningsluiting is daarentegen een zwaar instrument. Woonoverlast bestaat vaak uit relatief kleine incidenten, die weliswaar een grote invloed kunnen hebben op omwonenden maar die zich niet (altijd) lenen voor een tijdelijke woningsluiting. In deze leemte voorziet thans artikel 151d Gemeentewet.

 

Eerste en derde lid

Het eerste lid van artikel 2:79 bevat een zorgplicht die inhoudt dat gedragingen in of vanuit een woning of het daarbij behorende erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder mogen veroorzaken voor omwonenden. Hieronder vallen ook gedragingen in de onmiddellijke nabijheid van de woning of het erf. De hinder moet ernstig en herhaaldelijk zijn voordat het onder deze bepaling valt.

Deze zorgplicht geldt voor gebruikers van een woning en/of bijbehorend erf. Er hoeft geen huurrechtelijk of eigendomsrechtelijke relatie met de woning te bestaan. Ook een regelmatige gast, een illegale onderhuurder of een kraker van de woning valt onder de bepaling.

De zorgplicht geldt tevens voor degene die zijn of haar woning tegen betaling in gebruik geeft aan personen die niet staan in geschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Hier worden bijvoorbeeld personen mee bedoeld die de eigen woning te huur aanbieden via een online verhuurplatform, zoals Airbnb en Wimdu.

 

Tweede lid

Een eenduidige definitie van hinder is niet te geven. De hinder moet worden aangetoond vanuit aanpak van woonoverlast. Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het draaien van luide muziek in de nachtelijke uren.

 

Derde lid

Wanneer de zorgplicht wordt geschonden, kan de burgemeester een gedragsaanwijzing geven in de vorm van een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang. Uitgangspunt is dat de last proportioneel is en in verhouding staat tot de overtreding.

In de last staat omschreven welke handelingen een gebruiker van de woning en/of erf moet verrichten of moet nalaten. Er kan bijvoorbeeld worden bepaald dat de overtreder geen luide muziek mag draaien na een bepaalde tijd. De last kan ook een tijdelijk verbod inhouden voor een meerderjarige gebruiker om aanwezig te zijn in of bij de woning of op het erf. Het doel hiervan is dat de overlast tijdelijk stopt. Bovendien ontstaat hierdoor ruimte om te zoeken naar een definitieve oplossing en kunnen ingrijpendere maatregelen zoals een woningsluiting worden voorkomen. Het verbod om aanwezig te zijn geldt voor een periode van tien dagen en kan bij ernstige vrees voor verdere overtreding worden verlengd tot ten hoogste vier weken. De Wet tijdelijk huisverbod (Wth) is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de bepalingen die specifiek zien op huiselijk geweld.

 

Aldus besloten in de raadsvergadering van 29 november 2018

Robert van Dijk

griffier

Carla G.J. Breuer

voorzitter

Ga naar het begin